|
|
DE DUIVEL ZONDIGT VAN DEN BEGINNE Sinds wanneer zondigt de duivel? Was hij misschien eerst goed en begon hij pas later met zondigen? We hoeven hierover niet te filosoferen, omdat de Schrift op deze vraag rechtstreeks antwoord geeft.
Om deze uitspraak te begrijpen, hoeven we alleen maar een vergelijking te maken met het allereerste mensenpaar. Zondigde Adam en Eva "van den beginne"? Het antwoord is: nee en nog eens nee. Adam en Eva waren aanvankelijk goed en zijn pas later "in overtreding gevallen" (1Timotheüs 2:15). Als het gaat om de zonde van de mens, staat er uitdrukkelijk
De duivel staat hiermee in schril contrast. Vanaf de aanvang is hij een duivel (diabolos = dooreenwerper, lasteraar) en zondigt hij. Van andere engelen lezen we dat ze hun oorsprong niet bewaarden en zó vervielen tot het oordeel (Judas: 6). Zo niet satan. Hij staat niet alleen nu niet in de waarheid, maar ook in het verleden stond hij niet in de waarheid.
Zowel de versie van het NBG ("... staat niet in de waarheid") als die van de SV ("niet staande gebleven") komt niet overeen met de werkwoordsvorm die hier wordt gebruikt (voltooid tegenwoordige tijd). De satan staat niet alleen maar niet in de waarheid, hij heeft ook niet gestaan in de waarheid. Zijn aard is namelijk dat hij liegt. Dat is de verklaring! Een koe loeit, een slang sist en de duivel liegt. Deze eigenschappen zitten er in "van den beginne". Want God heeft ze zo gemaakt:
Wie heeft de listige slang gemaakt? Wat een vraag!
Wie heeft de giraffe gemaakt? Wie heeft de leeuw gemaakt? Uiteraard God
Zelf! Dat is niet slechts vanzelfsprekend - het staat er in Genesis 3
zelfs uitdrukkelijk bij!
Het woord dat hier door de Staten Vertaling wordt weergegeven met '"heeft geschapen", vertaalt het NBG met "doorboorde". Elders (in b.v. Jesaja 45:10 en 54:1 wordt het vertaald met "(barens)weeën"). Gods hand leed barensweeën om de snelle slang (zie Concordant Version). God creëerde de slang en leed daarbij pijn. Begrijpelijk, want dit schepsel (met zijn gespleten tong) zou de leugen en daarmee het kwaad in de wereld introduceren. Het kwaad dat niet anders is dan de donkere achtergrond , waartegen God Zijn deugden etaleert. De creatie van de slang was een noodzakelijk kwaad. Vandaar de geboortepijnen die God ondervond, toen hij dit wezen voortbracht. Maar is de satan dan niet van origine een engel des lichts (Lucifer)? Nee, al is dat wel wat hij iedereen graag wil laten geloven.
Niet een engel des lichts die veranderde in satan, maar een satan die zich verandert in een engel des lichts. Precies omgekeerd dus! Maar hoe zit het dan met de twee Schriftgedeelten (Jesaja 14 en Ezechiël 28) die steevast worden aangehaald, om de leer van satan's val te ondersteunen? Het antwoord is heel simpel: beide Schriftgedeelten gaan helemaal niet over satan. Om met Jesaja 14 te beginnen:
Wanneer we de hele perikoop lezen (13:1-14:23) blijkt het te gaan over koning van Babel. Overigens, niet een koning van Babel in het verleden, maar over een toekomstig figuur in "de dag des HEREN" (13:9). De beschrijving doet sterk denken aan "de mens der zonde" (in 2Thessalonika 2), die zich in de tempel Gods zal zetten om te laten zien dat hij god is. Hoewel hij naar ongekende hoogten zal stijgen, zal het tragisch met hem eindigen:
Het moet duidelijk zijn dat hier het lot van een mens beschreven wordt, en niet van satan. Vermeld moet ook worden dat het woord 'morgenster' (vers 12) niet correct is. Van 'morgensterren' is sprake in Job 39:2, maar daar betreft het een heel ander woord. Het woord in Jesaja 14:12 is 'heileel', dat een vorm is van het werkwoord 'jalal', hetgeen 'jammeren' betekent (zie vers 31). Er staat dus in vers 12: "Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, jammerlijke, zoon van de dageraad...". De tweede Schriftplaats dat geacht wordt te spreken van satan's val is Ezechiël 28. We lezen daar:
De vorst van Tyrus pretendeerde een god te zijn. In deze satire (een klaaglied heet het) wordt gerefereerd aan zijn aanmatigingen. Maar God zet hem op z'n plaats. Tot tweemaal toe wordt gezegd dat het niet om een god maar om een mens gaat.
Ook wordt vermeld hoe de vorst aan z'n einde zou komen.
Behoeft het een betoog dat de hier beschreven figuur niet de satan kan zijn? Is het eigenlijk niet verbazend dat men in de theologie expliciete uitspraken (zoals: "hij zondigt van den beginne") over satan wegredeneert terwijl men uitspraken die nadrukkelijk handelen over koningen onder de mensen, laat slaan op satan?! Overigens, kent de Schrift wel een val van satan, maar dan één in de toekomst. Johannes spreekt daarover in het laatste Bijbelboek.
Tot op vandaag is satan's positie in de hemel (zie ook Job 1). Op een zeker moment in de toekomst zal hij deze plek moeten prijsgeven. Hoe dit verder ook zij, Openbaring 12 spreekt niet van een val van satan in het verleden. Evenmin als daar elders in de Schrift sprake van is. Het idee dat satan ooit goed geschapen zou zijn, maar onbedoeld een tegenstander van God werd, maakt dat God heeft gefaald; een idee dat de aartsleugenaar ons natuurlijk graag wil laten geloven! Maar wanneer God satan geschapen heeft om tegenstander te zijn, dan is Gods werk niet mislukt en doet satan precies datgene, waarvoor hij bestemd is. Satan is dan geen zelfstandige godheid die ervoor kon zorgen dat God op Plan B moest overschakelen, maar een knecht van God, die EXACT beantwoord aan Gods volmaakte 'script'.
appendix: de vorst van Tyrus |