|
samenvatting van een Bijbelavond,
gehouden op 14 december 2005
Wat kan God van ons leven maken?
Het gaat niet om de vraag, wat wij van ons leven kunnen maken,
maar om wat God er van kan maken. Als we niet beginnen met
deze vraag, dan maken we al direct een valse start.
Mensen zijn creaturen. Geen mens heeft zichzelf gemaakt. Psalm 139 schrijft
dat we door God reeds in de moederschoot gevormd, geweven en toebereid
zijn.
Ps.139:13,14
Wanneer we in staat zijn dingen van God te zien en te verstaan, dan is
dat puur omdat God ons dit vermogen geeft. "Het oog dat ziet
en het oor dat hoort, beide heeft de HERE gemaakt". Dat is geestelijk
even waar als dat het fysiek waar is.
Spreuken 20:12
God is de Schepper van alles en iedereen. Ook van de goddeloze. En alles
heeft Hij gemaakt voor Zijn doel.
Spreuken 16:4
Elk mens is klei in de hand van de Pottenbakker. Hij maakt vaten
(voorwerpen) tot oneer én vaten tot eer. Niemand weerstaat daarin
Zijn bedoeling, zo leert Paulus ons in Romeinen 9. Wat een mens zou doen,
is deemoedig erkennen dat wij slechts kleine, nietige schepseltjes zijn
en GOD de grote Creator. Waar een mens dit erkent, is hij of zij
een "vat ter ere".
Romeinen 9:20,21
Paulus schrijft in Filippi 2:12 en 13 dat we onze behoudenis zouden uitwerken.
Hoe? Door te jagen en te jachten? Door ons best te doen? Nee. Door een
sidderend Godsbesef. In vreze (phobos > fobie) en beven (tromos >
trauma), want GOD is het die het willen en werken in ons werkt, om Zijn
welbehagen. Het uitwerken van onze behoudenis bestaat in de erkenning
van de ontzagwekkende God die al Zijn schepselen kneedt naar Zijn bedoeling.
In de nabijheid van God, past slechts de grootste eerbied. Toen Mozes
in de woestijn geroepen werd, moest hij de schoenen van zijn voeten doen.
"... want de grond waarop gij staat is heilig". Schoeisel is
een uitbeelding van de wandel van een mens. Op grond van zijn of haar
wandel kan de mens niet voor God verschijnen. De schoenen moeten uit.
Dure schoenen of goedkope, afgetrapte of nieuwe, lelijke of mooie, het
maakt allemaal voor Hem geen verschil. Religie is in de praktijk het oppoetsen
van ons schoeisel (>wandel). Maar God zegt: uitdoen. Want alles is
genade!
Exodus 3:2-5
Een mens wordt uit genade gered. Door geloof wordt deze redding ons deel.
Maar vergis u niet. Het is alles (d.w.z. zowel redding als geloof) een
gave Gods. Zodat alle roem is uitgesloten.
Efeze 2:8,9
Het leven van een gelovige is bedoeld als een verheerlijking van Gods
genade. We worden niet opgeroepen om zelf goede werken te doen,
maar om te wandelen in de goede werken die God reeds tevoren bereid
heeft. Het gaat dus om Gods goede werken. Goede werken komen aan
het licht, waar God de eer ontvangt.
Efeze 2:10
Paulus roept in het slot van 1Korinthe 15 ons op, om overvloedig te zijn
in het werk des Heren. Let op: in het werk van de Heer. Dus niet:
het werk voor de Heer. Het gaat om Gods werk. Waar wij standvastig
en onwankelbaar zijn in de overwinning van Christus, daar zal de Heer
overvloedig Zijn werk in en door ons doen.
1Korinthe 15:58
In Romeinen 9 stelt Paulus de vraag, waarom Israël niet is toegekomen
aan de wet. D.w.z. ze heeft de wet nooit werkelijk verstaan. "Waarom
niet? Omdat het niet uitging van geloof, maar van werken". Waarmee
gezegd is dat de wet ten diepste geen opdracht (zoals Israël
meede) maar belofte is. "Gij zult..." wil zeggen: jullie
zullen. Het is profetie. Vandaar dat de wet evenals de profetie
vervuld moet worden. Want de wet is profetie en belofte.
Romeinen 9:31--33
Wat voor Israël geldt, geldt ook voor het volk dat zich haar plaatvervanger
waant: de kerk. Ook de kerk gaat tot op vandaag uit van werken i.p.v.
geloof. Dit gif is zelfs de Bijbelvertalingen binnengedrongen. In 1Petrus
1:16 behoort te staan: "Gij zult heilig zijn, want Ik ben
heilig". Maar wat heeft men er van gemaakt? "... zijt
heilig" of "weest heilig". Daarmee is een zekere
belofte veranderd in onzeker mensenwerk. En heiliging werd schijn-heiliging.
1Petrus 1:16
Abraham is een prachtig voorbeeld van iemand die niet slechts gerechtvaardigd
werd door geloof, maar die ook leefde uit geloof. Abraham was oud
en impotent maar God had beloofd dat zijn nageslacht zou zijn als de sterren
des hemels en als het zand der zee. En Abraham "gaf Gode eer, in
de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook
te volbrengen". Abraham zag niet op eigen onvermogen maar
vertrouwde op Gods vermogen. Zo heeft Abraham "de kracht zijner
opstanding" aan den lijve ervaren en zaad voortgebracht.
Romeinen 4:16-21
Als Israël de Torah leest, ligt er een bedekking op hun hart. Ze
zijn niet in staat het te verstaan. Men gaat uit van werken i.p.v. geloof.
Maar wanneer deze bedekking wordt weggenomen, dan komt men oog in oog
te staan met de heerlijkheid des Heren. De heerlijkheid nl. dat Hij
doet waartoe de mens niet in staat blijkt. Hij verandert ons. Sterker:
Hij doet ons een metamorfose ondergaan. "... van heerlijkheid
tot heerlijkheid".
2Korinthe 3:18
Paulus schrijft in 2Korinthe 9:8: "En God is bij machte alle
genade in u overvloedig te schenken, opdat gij, in alle
opzichten te allen tijde van alles genoegzaam voorzien,
in alle goed werk overvloedig moogt zijn...". Zeven
superlatieven in één zin.
Zie ook Efeze 3:21
Vele christenen hebben geen idee wat het betekent om verlost te zijn.
Hun ganse leven wordt beheerst door de strijd tegen de zonde. Dat is de
'vrome' variant van leven "onder de heerschappij der zonde".
Het alternatief is dat we ons dood rekenen voor de zonde. We negeren de
zonde en leven voor God. Dat is het grote verschil tussen Romeinen 7 en
8.
In het Grieks is het woord voor 'mens', 'anthropos'. Ontleden we dat
woord, dan betekent dat: opwaarts-gekeerd-kijker. Een schitterende weergave
van wat het betekent om mens te zijn! "Het hoofd omhoog, het hart
naar boven...". "Kijk omhoog Sammy, want er is er Eén
die van je houdt...".
|