|
de onbekende setting van de tweede Petrus-brief
de
jaren zestig van de eerste eeuw
verwachting bodem ingeslagen
Petrus
verwijst naar Paulus
Petrus voorzegt Joodse Opstand en catastrofe
de
jaren zestig van de eerste eeuw
De tweede Petrus-brief wordt
gedateerd rond het midden van de jaren zestig van de eerste eeuw. Het
is Petrus' tweede brief waarin hij zich als "apostel van de besnijdenis"
richt tot "vreemdelingen die in de verstrooiing zijn" (1Petrus
1:1 ).
Petrus weet dat zijn levenseinde nabij is (2Petrus 1:14 )
en in dat besef heeft hij nog een aantal zéér urgente zaken
te melden. Niet alleen Petrus' levenseinde maar ook het einde van de Joodse
staat stond voor de deur. Binnen enkele jaren zouden de tempel en de stad
Jeruzalem worden verwoest. En met dit "schielijk verderf" voor
ogen, voorzegt Petrus de dramatische aanleiding tot dit alles. Bekend
is dat in het jaar 66 AD de Joodse Opstand in het land Israël is
uitgebroken. Een geest van revolutie trok toen door het Joodse volk, aangevoerd
door valse profeten die hierin het volk misleidden. Gefrustreerd vanwege
het uitblijven van de komst van de Messias moest het volk zélf
het heft maar in handen nemen, zo leerden deze lieden, om zodoende de
komst van de Messiaanse tijd te forceren. Het Romeinse juk moest worden
afgeworpen! Door deze Joodse Opstand zag de Romeinse bezetter zich genoodzaakt
om met harde hand op te treden, wat uiteindelijk resulteerde in de dramatische
ondergang van de stad Jeruzalem in 70 AD.
De periode 66 tot 70 AD gaat door voor één van de allerzwartste
bladzijden uit Israëls geschiedenis.
verwachting bodem ingeslagen
Ook in heilshistorisch opzicht waren de 60-er
jaren van de eerste eeuw buitengewoon tragisch. Rond 62 AD vindt de slot-scene
plaats van Handelingen 28. Bij monde van Paulus krijgen de Joodse leiders
in Rome te horen dat de beloofde Messiaanse tijd tot nader orde zal uitblijven
(Handelingen 28:26,27 ).
De verwachting die in de aanvang van het boek 'Handelingen' zo sterk doorklinkt
in de vraag: 'herstelt Gij in deze tijd het Koninktijk voor Israël?'
(Handelingen 1:6 ),
is aan het slot van het boek compleet de bodem in geslagen. Tekenend mag
het heten dat in datzelfde jaar of misschien een jaar later "Jakobus
de rechtvaardige" (zoals Flavius Josefus de broer van Jezus noemt)
tijdens het Pesachfeest in Jeruzalem wordt omgebracht. Een moord die,
zo suggereert Flavius Josefus, de inleiding werd tot de uiteindelijke
catastrofe in het jaar 70 AD...
Petrus verwijst naar Paulus
Petrus uiteenzetting in hoofdstuk 3 over het uitblijven van "de
belofte van Zijn komst" (2Petrus 3:4 )past
ook helemaal in deze geschilderde context. Heel uitdrukkelijk verwijst
Petrus aan het einde van zijn leven naar "onze geliefde broeder Paulus"
(2Petrus 3:15 ),
met wie ooit zoveel moeite had (Galaten 2:11 ).
In al Paulus' brieven wordt (aldus Petrus) de lankmoedigheid des Heren
voor zaligheid gehouden, aangezien heel de bediening van de heiden-apostel
gebaseerd is op de verwerping van Israël (Romeinen 11:12,13 )en
daarmee op het uitblijven van de openbaring van het Koninkrijk. Opmerkelijk
is verder dat Petrus verwijst naar een schrijven van Paulus aan dezelfde
geadresseerden als waaraan hij zich richt (nl. de besnijdenis). Er komt
daarvoor maar één brief in aanmerking: de Hebreeën-brief.
Zodat we via deze route alsnog een antwoord krijgen op de vraag wie de
anonieme schrijver van de Hebreeën-brief is. Overigens wordt de Hebreeën-brief
in de grote manuscripten altijd geplaatst tussen de Thessalonikers-brieven
en Paulus' pastorale brieven. Temidden van Paulus' ouvre dus. Wat zijn
geschriften op 14 (= 2x7) brengt.
Petrus voorzegt Joodse Opstand
en catastrofe
Het is in dit specifieke tijdsgewricht dat Petrus zijn geestelijk
testament schrijft. Aan het slot van zijn brief schrijft hij: "geliefden,
daar gij het nu van tevoren weet, weest op uw hoede, dat gij niet,
door de dwaling der zedelozen medegesleept, afvalt van uw eigen
standvastigheid...". Wát had Petrus dan voorzegd? Hoezo afval?
Het antwoord is dat Petrus schrijft met het oog op
(1) de aanstaande afval binnen het 'Messiaanse Jodendom';
(2) de Joodse opstand en
(3) de verwoesting van stad en land.
Alleen tegen deze achtergrond kan de dramatische inhoud van het tweede
hoofdstuk worden verstaan. Petrus voorzegt de komst van "valse profeten"
(2:1 )
onder "het volk" die "velen" zouden verleiden
(2:2 ).
Deze profeten zouden "vrijheid voorspiegelen" (2:19 )
en "heerschappij verachten" (2:10 ).
Deze laatste woorden doelen kennelijk op de vrijheidsstrijd en de opstand
tegen het Romeinse gezag. Flavius Josefus beschrijft dat het volk tijdens
de opstand compleet op drift raakte en ook in grote immoraliteit verviel.
"Velen zullen hun losbandigheden navolgen" (2:2 ),
voorzegt Petrus. Daarbij moeten we bedenken dat Petrus vooral schrijft
met het oog op de velen onder het volk die tot dusver geloofd hadden in
Jezus de Messias. Vanuit Handelingen 21 weten we dat er "vele
tienduizenden onder de Joden gelovig waren geworden" (21:20 ).
Maar Petrus kondigt hier aan dat velen de Heerser die hen gekocht had
zouden verloochenen (2:1 ).
De grote Messiaanse beweging onder het volk zou grotendeels in de Joodse
Opstand ten onder gaan. Niet in het minst ook door frustratie om het uitblijven
van het verwachtte Koninkrijk. "Waar blijft de belofte van Zijn komst?",
zouden de spotters vragen (3:4 ).
Maar, zo waarschuwt Petrus, de valse profeten zullen omkomen in een "schielijk
verderf" (2:1 ).
Opmerkelijk is het dat Petrus in dat verband verwijst naar vergelijkbare
oordelen in het verleden, zoals de steden Sodom en Gomorra die "tot
as verbrand" en "tot omkering gedoemd" waren, "ten
voorbeeld voor hen die goddeloos zouden leven" (2:6 ).
Zeer gezwollen woorden... ténzij men inziet dat Petrus deze dingen
optekent met het oog op wat "het volk" (2:1 )
zou overkomen rond het jaar 70 AD.
|