ga naar thuis-pagina

laatste wijziging 17 september 2005:

de onbekende setting van de tweede Petrus-brief

de jaren zestig van de eerste eeuw
verwachting bodem ingeslagen
Petrus verwijst naar Paulus
Petrus voorzegt Joodse Opstand en catastrofe

de jaren zestig van de eerste eeuw

De tweede Petrus-brief wordt gedateerd rond het midden van de jaren zestig van de eerste eeuw. Het is Petrus' tweede brief waarin hij zich als "apostel van de besnijdenis" richt tot "vreemdelingen die in de verstrooiing zijn" (1Petrus 1:1Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, die in de verstrooiing zijn in Pontus, Galatie, Kappadocie, Asia en Bitynie,). Petrus weet dat zijn levenseinde nabij is (2Petrus 1:14want ik weet, dat het afleggen van mijn tent spoedig komt, zoals ook onze Here Jezus Christus mij heeft doen weten.) en in dat besef heeft hij nog een aantal zéér urgente zaken te melden. Niet alleen Petrus' levenseinde maar ook het einde van de Joodse staat stond voor de deur. Binnen enkele jaren zouden de tempel en de stad Jeruzalem worden verwoest. En met dit "schielijk verderf" voor ogen, voorzegt Petrus de dramatische aanleiding tot dit alles. Bekend is dat in het jaar 66 AD de Joodse Opstand in het land Israël is uitgebroken. Een geest van revolutie trok toen door het Joodse volk, aangevoerd door valse profeten die hierin het volk misleidden. Gefrustreerd vanwege het uitblijven van de komst van de Messias moest het volk zélf het heft maar in handen nemen, zo leerden deze lieden, om zodoende de komst van de Messiaanse tijd te forceren. Het Romeinse juk moest worden afgeworpen! Door deze Joodse Opstand zag de Romeinse bezetter zich genoodzaakt om met harde hand op te treden, wat uiteindelijk resulteerde in de dramatische ondergang van de stad Jeruzalem in 70 AD.
De periode 66 tot 70 AD gaat door voor één van de allerzwartste bladzijden uit Israëls geschiedenis.

verwachting bodem ingeslagen

Ook in heilshistorisch opzicht waren de 60-er jaren van de eerste eeuw buitengewoon tragisch. Rond 62 AD vindt de slot-scene plaats van Handelingen 28. Bij monde van Paulus krijgen de Joodse leiders in Rome te horen dat de beloofde Messiaanse tijd tot nader orde zal uitblijven (Handelingen 28:26,27 Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, EN IK HEN ZOU GENEZEN.). De verwachting die in de aanvang van het boek 'Handelingen' zo sterk doorklinkt in de vraag: 'herstelt Gij in deze tijd het Koninktijk voor Israël?' (Handelingen 1:6Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in DEZE TIJD het Koninkrijk voor Israel?), is aan het slot van het boek compleet de bodem in geslagen. Tekenend mag het heten dat in datzelfde jaar of misschien een jaar later "Jakobus de rechtvaardige" (zoals Flavius Josefus de broer van Jezus noemt) tijdens het Pesachfeest in Jeruzalem wordt omgebracht. Een moord die, zo suggereert Flavius Josefus, de inleiding werd tot de uiteindelijke catastrofe in het jaar 70 AD...

Petrus verwijst naar Paulus

Petrus uiteenzetting in hoofdstuk 3 over het uitblijven van "de belofte van Zijn komst" (2Petrus 3:4 en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zo, als het van het begin der schepping af geweest is.)past ook helemaal in deze geschilderde context. Heel uitdrukkelijk verwijst Petrus aan het einde van zijn leven naar "onze geliefde broeder Paulus" (2Petrus 3:15 en houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid, zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft,), met wie ooit zoveel moeite had (Galaten 2:11  Maar toen Kefas te Antiochie gekomen was, heb ik mij openlijk tegen hem verzet, omdat het ongelijk aan zijn kant was.). In al Paulus' brieven wordt (aldus Petrus) de lankmoedigheid des Heren voor zaligheid gehouden, aangezien heel de bediening van de heiden-apostel gebaseerd is op de verwerping van Israël (Romeinen 11:12,13 Betekent nu hun val rijkdom voor de wereld en hun tekort rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid! 13 k spreek tot u, heidenen. Juist omdat ik apostel der heidenen ben, acht ik dit de heerlijkheid van mijn bediening,)en daarmee op het uitblijven van de openbaring van het Koninkrijk. Opmerkelijk is verder dat Petrus verwijst naar een schrijven van Paulus aan dezelfde geadresseerden als waaraan hij zich richt (nl. de besnijdenis). Er komt daarvoor maar één brief in aanmerking: de Hebreeën-brief. Zodat we via deze route alsnog een antwoord krijgen op de vraag wie de anonieme schrijver van de Hebreeën-brief is. Overigens wordt de Hebreeën-brief in de grote manuscripten altijd geplaatst tussen de Thessalonikers-brieven en Paulus' pastorale brieven. Temidden van Paulus' ouvre dus. Wat zijn geschriften op 14 (= 2x7) brengt.

Petrus voorzegt Joodse Opstand en catastrofe

Het is in dit specifieke tijdsgewricht dat Petrus zijn geestelijk testament schrijft. Aan het slot van zijn brief schrijft hij: "geliefden, daar gij het nu van tevoren weet, weest op uw hoede, dat gij niet, door de dwaling der zedelozen medegesleept, afvalt van uw eigen standvastigheid...". Wát had Petrus dan voorzegd? Hoezo afval? Het antwoord is dat Petrus schrijft met het oog op
(1) de aanstaande afval binnen het 'Messiaanse Jodendom';
(2) de Joodse opstand en
(3) de verwoesting van stad en land.
Alleen tegen deze achtergrond kan de dramatische inhoud van het tweede hoofdstuk worden verstaan. Petrus voorzegt de komst van "valse profeten" (2:1Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen, zelfs de Heerser, die hen gekocht heeft, verloochenende en een schielijk verderf over zichzelf brengend.) onder "het volk" die "velen" zouden verleiden (2:2En VELEN  zullen hun losbandigheden navolgen, zodat door hun schuld de weg der waarheid gelasterd zal worden;). Deze profeten zouden "vrijheid voorspiegelen" (2:19 Vrijheid spiegelen zij hun voor, hoewel zij zelf slaven des verderfs zijn; immers, door wie men overmeesterd is, diens slaaf is men.) en "heerschappij verachten" (2:10 vooral hen, die, begerig naar onreinheid, het vlees volgen en HEERSCHAPPIJ VERACHTEN. Zulke vermetelen, vol van zelfbehagen, schromen niet de heerlijkheden te lasteren...). Deze laatste woorden doelen kennelijk op de vrijheidsstrijd en de opstand tegen het Romeinse gezag. Flavius Josefus beschrijft dat het volk tijdens de opstand compleet op drift raakte en ook in grote immoraliteit verviel. "Velen zullen hun losbandigheden navolgen" (2:2En VELEN  zullen hun losbandigheden navolgen, zodat door hun schuld de weg der waarheid gelasterd zal worden;), voorzegt Petrus. Daarbij moeten we bedenken dat Petrus vooral schrijft met het oog op de velen onder het volk die tot dusver geloofd hadden in Jezus de Messias. Vanuit Handelingen 21 weten we dat er "vele tienduizenden onder de Joden gelovig waren geworden" (21:20En zij loofden God, toen zij dit hoorden, en zeiden tot hem: Gij ziet, broeder, HOEVELE TIENDUIZENDEN er onder de Joden gelovig zijn geworden en allen zijn zij ijveraars voor de wet;). Maar Petrus kondigt hier aan dat velen de Heerser die hen gekocht had zouden verloochenen (2:1Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen, zelfs de Heerser, die hen gekocht heeft, verloochenende en een schielijk verderf over zichzelf brengend.). De grote Messiaanse beweging onder het volk zou grotendeels in de Joodse Opstand ten onder gaan. Niet in het minst ook door frustratie om het uitblijven van het verwachtte Koninkrijk. "Waar blijft de belofte van Zijn komst?", zouden de spotters vragen (3:4en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zo, als het van het begin der schepping af geweest is.). Maar, zo waarschuwt Petrus, de valse profeten zullen omkomen in een "schielijk verderf" (2:1Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen, zelfs de Heerser, die hen gekocht heeft, verloochenende en een schielijk verderf over zichzelf brengend.).
Opmerkelijk is het dat Petrus in dat verband verwijst naar vergelijkbare oordelen in het verleden, zoals de steden Sodom en Gomorra die "tot as verbrand" en "tot omkering gedoemd" waren, "ten voorbeeld voor hen die goddeloos zouden leven" (2:6en de steden Sodom en Gomorra tot as verbrand, tot omkering gedoemd en ten voorbeeld gesteld heeft voor hen, die goddeloos zouden leven,). Zeer gezwollen woorden... ténzij men inziet dat Petrus deze dingen optekent met het oog op wat "het volk" (2:1Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen, zelfs de Heerser, die hen gekocht heeft, verloochenende en een schielijk verderf over zichzelf brengend.) zou overkomen rond het jaar 70 AD.



ga naar thuis-pagina