|
PETRUS AAN DE POORT
Aan Petrus waren ooit de sleutels
van het Koninkrijk der hemelen toevertrouwd. Sleutels dienen uiteraard
om een deur of een poort te openen dan wel te sluiten. Wat Petrus gedurende
zijn loopbaan heeft gedaan, was als portier de poorten van het Koninkrijk
openen.
- Op de Pinksterdag voor de "Joden en allen
die in Jeruzalem woonachtig" waren (Handelingen 2);
- Toen Samaria het Woord Gods aannam, moest Petrus
vanuit Jeruzalem komen om hen de handen op te leggen, opdat ook zij
(net als ooit in Jeruzalem) de heilige Geest zouden ontvangen (Handelingen
8);
- In de kustplaats Caesarea opent Petrus de poort
voor de de heiden Cornelius en zijn huis.
Met name in deze laatste geschiedenis zien we Petrus
zijn sleutelfunctie aan de poort vervullen. Vrij letterlijk zelfs "aan
de poort".
- Cornelius was maar geen blinde heiden die in de
duisternis wandelde maar een Godvrezende man die woonde ónder
en sympatiseerde mét het volk Israël. Hij was, zoals dit
van oudsher heet "een vreemdeling in de poort" (Exodus
20:10).
- Caesarea was een zeehaven, oftewel een poort
(vergl. het Engelse 'port'). Het is Petrus die deze poort opent. Eigenaardig
is verder dat aan Petrus vele jaren eerder al de sleutels van het Koninkrijk
waren toevertrouwd in Ceacarea (al was dat overigens een andere
plaats dan het Caesarea in Handelingen; Matteüs 16:13).
Cornelius woonde aan de zee. De zee spreekt in de
Schrift van de volkenwereld (> Openbaring 17:15). De woonplaats van
Cornelius "aan het uiterste van het land" (Handelingen 1:8)
is dus heel typerend. Van de ene kant bezien woonde Cornelius aan de rand
van de zee en van de andere kant bezien woonde hij aan de rand van het
land. Het doet denken aan wat we lezen i.v.m. de oogst van Pinksteren
in Leviticus 23.
"Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt,
dan zult gij DE RAND VAN UW VELD bij uw oogst niet geheel afmaaien,
en wat van uw oogst is blijven liggen, zult gij niet oplezen; DAT
ZULT GIJ VOOR de arme en DE VREEMDELING LATEN LIGGEN: Ik
ben de HERE, uw God." (Leviticus 23:22)
Er loopt een rechte lijn van Leviticus 23 naar Handelingen
2 (Pinksteren) en vandaar naar Handelingen 10. Cornelius kon als vreemdeling
namelijk aanspraak maken op de zegeningen van het Pinksterfeest!
Petrus opent in Caesarea de poort. Verder gaat hij niet. Hij was met deze
daad letterlijk en figuurlijk tot "het uiterste" gegaan. Natuurlijk
wist ook Petrus van 'de grote opdracht' om álle volken te maken
tot dicipelen van Christus, maar er was geen haar op zijn hoofd (of op
die van zijn collega-apostelen) om naar andere volken te gaan, voordat
"het volk" (Israël, Handelingen 10:42) een dicipel van
de Heer zou zijn. In het boek Handelingen tekent de afwijzing van Israël
zich steeds sterker af. Als Petrus bij Cornelius is, loopt van achter
de coulissen reeds een dertiende apostel zich warm. Deze apostel zou maar
niet slechts naar "een vreemdeling in de poorten" gaan, maar
naar welke heiden dan ook. Niet vanuit de synagoge maar naast
de synagoge. Dat is de werkelijke omkering in het boek Handelingen (vanaf
hoofdstuk 13). Het eigenaardige is dat Petrus weliswaar in Caesarea
de poort opent maar dat slechts Paulus als heiden-apostel via deze
poort daadwerkelijk in- en uitgaat (Handelingen 18:22;
9:30; 27:1).
|