|
reconstruktie van de opstandingsdag
- Vier vrouwen: Maria van Magdala, Maria de vrouw van Klopas,
Salome en Johanna, (Math.28:1; Mar.16:1; Luk.24:10)
gaan bij het aanbreken van de dag naar het graf met specerijen (Mar.16:1;
Luk.24:1).
- Terwijl zij onderweg zijn en zich afvragen hoe de steen
moet worden afgewenteld (Mar.16:3,4) vind
er een aardbeving plaats, een engel daalt neer, wentelt de steen weg
en de bewakers slaan in doodsangst op de vlucht (Math.28:2-4).
- De vrouwen vinden een weggewentelde steen (Mar.16:4;
Luk.24:2; Joh.20:1) en een leeg graf (Luk.24:3).
- De vrouwen zijn in verlegenheid gebracht (Luk.24:4)
en Maria van Magdala snelt naar Petrus en Johannes (Joh.20:2).
- De andere vrouwen zien twee mannen in blinkend gewaad
(Luk.24:4): één op de steen
zitten (Math.28:2) en de ander (een jongeling)
in de grafkamer ter rechterzijde (Mar.16:5).
- De vrouwen krijgen te horen van de engelen: wees niet
bevreesd (Math.28:5; Mar.16:6), wat zoekt
gij de levende bij de doden (Luk.24:5),
Jezus is opgewekt, ziet de plaats waar Hij is neergelegd (Math.28:6;
Mar.16:6), herinnert u hoe Hij in Galilea reeds gesproken heeft
over de opstanding ten derde dage (Luk.24:6,7).
Ga vlug naar de discipelen en Petrus (Mar.16:7)
en vertel het hen. En Jezus zal u voorgaan naar Galilea, daar zult gij
hem zien (Math.28:7; Mar.16:7).
- De vrouwen haasten zich naar de discipelen, beangst en
blij (Math.28:8), maar durven onderweg
(zie 10.) aan niemand iets zeggen
(Mar.16:8).
- Gewaarschuwd door Maria van Magdala gaan Petrus en Johannes
snel naar het graf (Joh.20:3). Johannes
komt als eerste bij het graf (Joh.20:4)
en ziet van buiten af de windsels liggen zonder naar binnen te gaan
(Joh.20:5). Dan komt ook Petrus, gaat het
graf binnen en ziet dat de hoofdwindsels opgerold op een andere plaats
liggen (Joh.20:6,7; Luk.24:12). Dan komt
ook Johannes naar binnen en dat ziende gelooft hij (Joh.20:8,9).
Zij keren weer terug naar huis (Joh.20:10).
- Maria van Magdala was de mannen achterna gekomen en stond
te wenen dicht bij het graf (Joh.20:11).
Inmiddels zijn er weer engelen en Maria ziet hen zitten: één
aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde (Joh.20:12).
Zij vragen haar waarom ze weent en ze antwoord: omdat ze mijn Heer hebben
weggenomen (Joh.20:13). Dan keert ze zich
om en ziet Jezus staan (Mar.16:9), maar
zij denkt dat het de tuinman is. "Wie zoekt ge?" hoort zij
Hem zeggen. Maria antwoord vertwijfeld en opeens hoort ze haar naam:
"Maria!". Ze keert zich om en roept "Rabboeni!"
(Joh.20:14-16). Jezus zegt haar dat ze
Hem niet mag vasthouden maar dat zij moet heengaan naar Jezus' broeders
en zeggen dat Hij zal opvaren naar de Vader (Joh.20:17).
- Terwijl de vrouwen onderweg zijn naar
de discipelen, komt de Heer hen tegemoet en groet hen. Zij grijpen Zijn
voeten en aanbidden Hem (Math.28:9). Jezus
bevestigt de woorden die zij eerder vernomen hadden van de engelen (Math.28:10).
- De soldaten komen in de stad en berichten de overpriesters
van het gebeurde (Math.28:11). In een vergadering
met de oudsten wordt het besluit genomen de soldaten veel geld te geven
voor het verspreiden van het gerucht dat de discipelen het lijk van
Jezus hebben gestolen terwijl zij sliepen (Math.28:12,13).
De overpriesters garanderen de soldaten dat zij niet in de problemen
zullen komen bij de stadhouder (Math.28:14).
- De vrouwen arriveren bij de elven en al de anderen (Luk.24:9).
Later (Luk.24:24) komt ook Maria van Magdala
en boodschapt het nieuws (Joh.20:18; Mar.16:10).
De discipelen geloven de vrouwen niet (Mar.16:11;
Luk.24:10,11).
- In de loop van deze dag (Luk.24:24)
krijgt ook Simon Petrus een verschijning van de Heer (Luk.24:34).
- Achterin de middag (Luk.24:29)
verschijnt de Heer incognito (Luk.24:16),
in een andere gedaante aan twee mensen (Mar.16:12),
waarvan de één Kleopas heet (Luk.24:18).
Zij zijn op weg naar Emmaüs, dat ruim 10 kilometer van Jeruzalem
verwijderd was (Luk.24:12,13). Onderweg
hebben zij een gesprek over de gebeurtenissen van de laatste dagen (Luk.24:15-21).
Zij vertellen met afkeer van de berichten van vrouwen die verschijningen
van engelen gezien zouden hebben maar Jezus Zelf niet (Luk.24:22-24).
De Vreemdeling neemt hun hun ongeloof kwalijk en opent de Schriften
(Luk.24:25-27). Wanneer bij de avondmaaltijd
de ogen open gaan voor de identiteit van de Vreemdeling, is Hij plotseling
verdwenen (Luk.24:28-31).
- Het tweetal keert direkt weer terug naar Jeruzalem en
vinden de elven vergaderd en dezen zeggen: de Heer is waarlijk opgestaan
en is aan Simon verschenen (Luk.24:33,34).
De Emmaüsgangers verhalen ook van hun ervaringen (Luk.24:35)
maar dat geloven ze niet (Mar.16:13).
- Deze avond, terwijl de deuren gesloten waren uit angst
voor de joden (Joh.20:19), verschijnt Jezus
plotseling in hun midden (Mar.16:14; Luk.24:36)
en zegt: 'sjaloom' (Joh.20:19). De aanwezigen
zijn zeer verschrikt en menen een geest te aanschouwen (Luk.24:37).
Jezus neemt ook hun hun ongeloof kwalijk (Mar.16:14;
Luk.24:38) en nodigt hen uit Zijn handen en voeten te zien en
Hem te betasten om zich er van te vergewissen dat Hij geen geest is
(Luk.24:39,40). Van blijdschap kunnen ze
nóg niet geloven en daarom eet de Heer demonstratief een gebakken
vis (Luk.24:42,43). Met nog meer woorden
bemoedigt en instrueert de Heer het gezelschap (Joh.20:21-23).
|