VRAAG:
In Mattheus spreekt Jezus over het oordeel van de volken, wie Israel
"goed behandeld" zal aan Gods rechterhand komen. Hier is
geen opstanding aan voorafgegaan. Toch wordt er gesproken over de
straf uit Openbaring 20, de poel des vuurs, vergelijkend met het feit
dat ze in het vuur worden geworpen met satan en zijn trawanten. Toch
moet het m.i een ander oordeel zijn, omdat er geen opstanding aan
vooraf is gegaan. Hoe zit dat precies?
ANTWOORD:
Het gaat hier over de verzameling van de volken in Jeruzalem, voorafgaand
aan de duizend jaren (1). Inmiddels heeft "de Zoon des Mensen"
(Ben Adam) zijn plaats ingenomen op "de troon zijner heerlijkheid"
(2). Zij die NIET goed geweest zijn voor de minsten van de broeders
(=broeders naar het vlees = Israëlieten) worden verwezen naar
het vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn boodschappers (3).
Bij diens boodschappers hebben we te denken aan het beest en de valse
profeet. Van dit drietal lezen we dat ze zullen worden geworpen in
het meer van vuur en zwavel (4). Dit gericht zal plaatsvinden in de
streek die ooit eerder brandde van vuur en zwavel: de omgeving van
de Dode Zee (5). Het in deze omgeving dat ook de "bokken"
(=onwillige) volken zullen omkomen.
Het gericht in Matteüs 25 loopt parallel met wat we vinden aan
het einde van Openb.19. Ook daar een verzameling van volken en tevens
het einde van "het beest en de valse profeet". In één
adem wordt daarbij gezegd: " en de overigen werden gedood met
het zwaard".
Ook in Joël 3:1 en 2 lezen we over dit gericht:
"Want zie, in die dagen en
te dien tijde, wanneer Ik een keer zal brengen in het lot van Juda
en van Jeruzalem, zal Ik alle volken verzamelen en afvoeren
naar het dal van Josafat (6), en Ik zal aldaar met hen in het
gericht treden ter oorzake van mijn volk en van mijn erfdeel Israel,
dat zij onder de volken verstrooid hebben, terwijl zij mijn land verdeelden..."
(7)
voetnoten
(1) Openb.19:19-21.
In hfst. 20 gaat het over "de duidend jaren".
(2) Matteüs 25:31
(3) Matteüs 25:41
(4) Openb.19:20; 20:10
(5) Gen.19:24,28
(6) Het dal van Josafat óf het dal waar de HERE oordeelt. Josafat
betekent: de HERE oordeelt.
(7) Let op: herstel van Israël, verzameling van alle volken in
"het land" en een gericht "ter oorzake van mijn volk"
(vergl. de minste van mijn broeders").