|
samenvatting van een studie, gehouden op 8 maart 2006 te Rijnsburg de wegrukking van de zoon context van Openbaring
12 Openbaring 12 staat tussen twee hoofdstukken
in waarin de beroemde periode van drie en half jaar een hoofdrol speelt.
Het gaat om de roemruchte "grote verdrukking" die over het land
van Israël zal komen. In hoofdstuk 11 is sprake van twee getuigen
die gedurende 1260 dagen op het tempelplein profeteren. In Hoofdstuk 13
lezen we van het Beest dat 42 maanden lang godslasteringen uitspreekt.
De vrouw in Openbaring 12 wordt traditioneel in de RK-kerk
uitgelegd als zijnde Maria. De associatie is snel gemaakt: immers zij
is de vrouw die de zoon voortbrengt (die de Messias zou zijn). Maar daar
blijft de uitleg ook steken. Want al het andere wat van deze vrouw gezegd
wordt is met geen mogelijkheid van toepassing op Maria. De traditioneel protestantse uitleg zegt dat
de vrouw 'de kerk' voorstelt. Tot dat idee komt men, omdat men meent dat
'de kerk' bestaat vanaf Adam tot aan de jongste dag. De 'kerk' bracht
de Zoon voort, die alle heidenen zou hoeden... Behalve dat ook deze uitleg
niet in staat is recht te doen aan de vele details (1260 dagen, vlucht
naar de woestijn, etc.), klopt het sowieso al niet dat 'de kerk' de Zoon
zou hebben voortgebracht. Het is namelijk precies omgekeerd! De Zoon was
er eerder dan de Gemeente' - Hij is het Hoofd en Eersteling van de Gemeente.
De Gemeente ving aan toen dat Christus als Eersteling verrees uit de doden.
De vrouw is haast standaard bij de profeten de
aanduiding van Israël. Een boek als dat van Hosea is helemaal op
dat gegeven gebaseerd. De HERE is de Man en Israël Zijn vrouw. Hij
heeft met haar een huwelijksverbond gesloten bij de Sinai. In vele toonaarden
wordt dit gegeven bij de profeten uitgewerkt. Aangezien het boek de Openbaring
de sluitsteen is van de profetische boeken, kunnen we er op voorhand vanuit
gaan dat waar een vrouw als symbool wordt opgevoerd ("... er werd
een groot teken in de hemel gezien: een vrouw..."), dit wel
moet verwijzen naar het volk Israël. Een tweede sterke aanwijzing voor de identiteit van
de vrouw vinden we in het gegeven dat ze wordt geassocieerd de zon, de
maan en twaalf sterren. Dat herinnert aan de droom die Jozef ooit had.
Vader Jakob had geen moeite met de uitleg. Hij begreep direct dat dit
betrekking had op het huis van Jakob. De draak met zijn zeven koppen en tien horens is
niet anders dan een voorstelling van "de oude slang, die genaamd
wordt duivel en de satan...". D.w.z. in zijn eindtijdelijke gestalte.
De zeven koppen blijken namelijk o.a. betrekking te hebben zeven bergen
(>dochter Sions te Babel) terwijl de tien horens de tien koningen zijn,
die ook in Daniël 7 worden genoemd. De draak staat in direct verband
met "het Beest", d.w.z. het wereldrijk van de eindtijd. De vermelding van de mannelijke zoon" verwijst
direct naar Psalm 2. Immers, Openb.12 zegt: "die de heidenen zou
hoeden met een ijzeren roede" hetgeen ontleend is aan Psalm 2:8,9.
Het gaat daar over "de Gezalfde" (Hebreeuws: Messias; Grieks:
Christus) die door God is verwekt. Met de vaststelling dat de mannelijke zoon in Openbaring
12 niemand minder is dan Christus Zelf, stuiten we echter direct op een
grote vraag: hoe is dit op Christus toepasbaar? Want de mannelijke zoon
wordt, zodra het voortgebracht is, plotseling weggerukt tot God
en Zijn troon. Bovendien gaat deze gebeurtenis kennelijk direct vooraf
aan de vlucht van de vrouw (=Israël) naar de woestijn. Christus'
hemelvaart voldoet in de verste verten niet aan deze beschrijving. Na de wegrukking van de zoon (=Christus, inclusief
Zijn lichaam, de Gemeente), vlucht de vrouw naar de woestijn, alwaar voor
haar een schuilplaats is bereid. In Jezus' tweede bergrede (Mat.24) leert
Hij dat als de op de heilige plaats in Jeruzalem "de gruwel der verwoesting"
zal worden opgericht, dat dan het uiterste ogenblik is aangebroken om
nog te vluchten naar de bergen. Vanuit Daniël 9 weten we dat, halverwege
de laatste jaarweek, "de grote verdrukking" zal aanvangen, dat
is "... de dag van benauwdheid voor Jakob..". Deze periode van
verdrukking voor Israël zal 1260 dagen duren (of 42 maanden
of "drie jaar en zes maanden"). De plaats in de woestijn wordt ook elders in de Schrift
vaak genoemd. Het is de plaats Bozra (=Petra of Sela) in het gebied
van Edom. Het ligt in het tegenwoordige Jordanië, halverwege de Dode
Zee en de golf van Eilat. Het is een thans onbewoonde stad, helemaal uitgehouwen
uit de rotsen, en slechts toegankelijk via een ruim anderhalve kilometer
lange en diepe rotsspleet (inderdaad, "smal is de weg die naar het
leven leidt..."). Hier bevindt zich de duizenden jaren oude stad.
Gereed om straks te fungeren als onderduikadres voor het gelovig overblijfsel
van het Joodse volk. In de NBG-vertaling is het wegvertaald, maar letterlijk
staat er in Openb.12:6: "... de vrouw vluchtte tot in de woestijn,
alwaar zij een plaats had, van God bereid, opdat ZIJ haar aldaar
zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen". Wie zijn die "zij"
in vredesnaam? Het kan niet missen of het is de mannelijke zoon die immers
een voorstelling bleek van een volk! Na de beschrijving van de scène van de vrouw
en de wegrukking van de zoon, lezen we over de uitwerping van satan (en
diens gevolg) uit de hemel o.l.v. de aartsengel Michaël. Het idee
is dat zodra de mannelijke zoon weggerukt wordt tot God en Zijn troon
(in de hemel), Michaël zal beginnen met het uitdrijven van satan
(1). De wegrukking van de zoon loopt synchroon met Michaël's krachtmeting.
Geheel conform met wat Paulus beschrijft in 1Thes.4: de wegrukking vindt
plaat ter gelegenheid van een commando van de aartsengel (3). Op dit moment is het satan die "de overste
is van de macht der lucht". Wanneer de Gemeente tot haar bestemming
komt (de troon), dan vindt er een wisseling van de macht plaats. De Gemeente
naar boven en satan en zijn trawanten ("de wereldbeheersers van deze
duisternis") naar beneden. De overheden en machten in de hemelse gewesten weten
dat de Gemeente bestemd is om hun plaats in te nemen in "de komende
aeonen". Zij beschouwen de Gemeente daarom (feitelijk terecht) als
hun rivaal. Daarom hebben zij het in hun strijd juist op de Gemeente gemunt.
|
|