|
|
keerde
alleen Juda terug?
kennis
vooral vanuit Ezra en Nehemia
Wellicht de meesten zullen de vraag boven
dit artikel met 'ja' beantwoorden. De reden daarvoor is even verklaarbaar
als onjuist. Vrijwel alle informatie die de Schrift geeft over de terugkeer
uit de ballingschap, handelt over hen die terugkeerden vanuit Babel.
De uitgebreide lijsten van namen die we tegenkomen in Ezra en Nehemia
focussen zich geheel op hen. Zo begint Ezra 2:1 te zeggen:
Dit
nu zijn de bewoners van het gewest, die optrokken uit het midden van
de in ballingschap weggevoerden, welke Nebukadnessar, de koning van
Babel, naar Babel had weggevoerd, en die terugkeerden naar Jeruzalem
en Juda....
(zie ook Neh.7:6)
Het spreekt vanzelf
dat we in registers als deze slechts de stamnamen van Juda, Benjamin
en Levi tegenkomen en niet de namen van de overige tien stammen. Deze
stammen waren immers op een eerder tijdstip gedeporteerd naar Assur.
hereniging onder
Kores
Ondanks dat we hoofdzakelijk
geïnformeerd worden over de lotgevallen van de teruggekeerden uit
Babel, laat de Schrift er geen misverstand over bestaan dat Kores' oproep
om terug te keren naar het land, uitging tot HEEL Israël.
2. Zo zegt
Kores, de koning van Perzie: ALLE koninkrijken der aarde heeft
de HERE, de God des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen
Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda.
3. Wie nu onder u tot enig deel van zijn volk behoort, zijn
God zij met hem, hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda, en
bouwe het huis van de Here, de God van Israel, dat is de God, die
in Jeruzalem woont.
(Ezra 1:2,3)
Als Perzisch wereldheerser beoogde
Kores heel het volk (=alle twaalf stammen) terug te brengen naar het
land. Deze oproep was niet minder dan een daad van hereniging van het
verdeelde rijk van Juda en Israël.
getooid met de naam Israël
Het teruggekeerde volk wordt
genoemd met de naam Israël (Ezra 6:17; 9:1; 10:5, etc.). Deze naam
was van origine de naam van heel het volk (de twaalf stammen) en later
bij de tweedeling ging de naam mee met de tien stammen. De twee stammen
gingen verder onder naam Juda. Zouden de teruggekeerde ballingen slechts
afkomstig zijn uit het voormalige twee stammenrijk, dan zouden ze uiteraard
gewoon Juda blijven heten. Het feit echter dat het volk getooid wordt
met de naam Israël, geeft aan dat ook de overige tien stammen
meegerekend worden.
offeren "naar het getal der
stammen Israels"
Ter gelegenheid van
de inwijding van de tempel lezen we van Israël dat zij...
offerden
ter inwijding van dit huis Gods honderd stieren, tweehonderd rammen en
vierhonderd lammeren; verder TWAALF geitebokken tot een zondoffer voor
GEHEEL ISRAËL, naar het getal der stammen Israels.
(Ezra 6:17 zie ook 8:35)
Ten eerste zien we dat "geheel
Israël" staat voor de twaalf stammen. Als we dus elders in
Ezra of Nehemia lezen over "geheel Israël" (Ezra 10:5;
Neh.12:47), dan weten we dat daarmee wordt bedoeld: alle twaalf stammen.
Verder maken deze twaalf offerdieren zonder meer duidelijk dat niet
twee maar twaalf stammen aanwezig gerekend werden. Niet een deel maar
het totaal.
de eerste teruggekeerden waren
(gewone) Israëlieten
Omdat Ezra en Nehemia
voornamelijk spreken over de terugkeer vanuit Babel, weten we zo goed
als niets over hen die terugkeerden vanuit Assur. Naar hun aantal kunnen
we slechts gissen. Wél weten we dat de eersten die terugkeerden
(gewone) Israëlieten waren.
En de EERSTEN,
die zich weer op hun bezitting in hun steden kwamen vestigen, waren
[gewone] ISRAELIETEN, de priesters, de Levieten, en de tempelhorigen.
(1Kron.9:2)
In het hierop volgende vers 3
wordt vermeld dat de zonen van Efraïm en Manasse zich vestigden
in Jeruzalem.
Te
Jeruzalem woonden van de zonen van Juda, Benjamin, Efraim en Manasse...
het hart van
de koning van Assur gewend
Na
de terugkeer viert Israël feest, want...
...
de HERE had hen verblijd; Hij had het hart van de koning van ASSUR tot
hen gewend om hen te steunen bij de arbeid aan het huis van God, de
God van Israël.
(Ezra 6:22)
Kores was een Perzische
koning, maar wordt hier niettemin "de koning van Assur" genoemd.
Met recht, want aan hem waren "alle koninkrijken der aarde"
gegeven, dus ook Assur, d.w.z. het land waarnaar de tien stammen waren
gedeporteerd. De Israëlieten (niet: Judeërs; 6:21) verblijden
zich omdat God het hart van de koning van ASSUR had gekeerd, ten einde
een huis te bouwen voor God, de God van Israël (niet: de
God van Juda).
|
|