"de gehele aarde" of "het gehele land"?
Hoe heeft Noach heel het dierenrijk kunnen onderbrengen en verzorgen
in de ark? Het aantal dieren moet heel wat groter geweest zijn dan
we zelfs in de grootste dierentuin aantreffen. Werden die allemaal
verzorgd door slechts acht mensen? Hoe hebben b.v. de kangeroe en
de pinquin een reis van vele duizenden kilometers naar de ark overleefd?
En hoe konden zeevissen en zoetwatervissen, gedurende een jaar in
hetzelfde water vertoeven?
Bovenstaande vragen zijn inderdaad klemmend als we ervan uitgaan
dat de zondvloed "de gehele aarde" overdekte. Maar staat
dat dan niet in de Bijbel? Inderdaad, wel in de Bijbel zoals we deze
in de meeste vertalingen lezen, maar niet het origineel waar sprake
is van "ha'erets" dat strikt genomen niet "de aarde"
maar 'het land' betekent. Hier volgt een korte, willekeurige greep
uit het boek Genesis, waar sprake is van "ha erets" en waar
dit (terecht) is weergegeven met "het land".
| 2:12 |
en het goud van dat land is
goed |
| 12:1 |
naar het land, dat Ik u wijzen
zal |
| 13:6 |
Maar het land liet niet toe,
dat zij tezamen bleven wonen |
| 24:5 |
het land, vanwaar
gij uitgetrokken zijt? |
| 50:24 |
het land, dat Hij
Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heeft. |
Zouden we dezelfde weergave (concordant) toepassen op de hoofdstukken
6-8 van Genesis, dan verandert dit de lezing enorm (zie onder)! We
zouden niet meer lezen van een vloed die "de gehele aarde"
bedekte, maar "het gehele land"! Het vertaalwoord "aarde"
doet direct denken aan de planeet met de naam 'aarde'. Dat is echter
niet naar de Schrift. In Genesis 1 lezen we dat God "ha'erets'
definiëert als het droge, i.t.t. de wateren (Gen. 1:10). "Ha
arets" is het droge in het algemeen óf (meestal) een specifiek
land of bepaalde landstreek. Niet noodzakelijk heel de globe omvattend.
|
|
NBG-vertaling, waarbij "de aarde"
is vervangen door "het land"
|
Hoofstuk 6
12 En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven,
want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven. |
Hoofstuk 6
12 En God zag het land aan, en zie, zij was verdorven,
want al wat leeft had zijn weg op het land verdorven. |
| 13 . Toen zeide God
tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want
door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik
ga hen met de aarde verdelgen. |
13 . Toen zeide God tot Noach: Het
einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld
is het land vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met het
land verdelgen. |
| 17 Want zie, Ik ga een watervloed
over de aarde brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest
is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde
is, zal omkomen. |
17 Want zie, Ik ga een watervloed over het land
brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder
de hemel te verdelgen; alles wat op het land is, zal omkomen. |
Hoofstuk 7
4 Want over nog zeven dagen zal Ik het op de aarde veertig
dagen en veertig nachten doen regenen, en Ik zal alles wat bestaat,
hetgeen Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen. |
Hoofstuk 7
4 Want over nog zeven dagen zal Ik het op het land veertig
dagen en veertig nachten doen regenen, en Ik zal alles wat bestaat,
hetgeen Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen. |
| 12 En de slagregen was veertig
dagen en veertig nachten over de aarde. |
12 En de slagregen was veertig dagen en veertig
nachten over het land. |
| 17 En de vloed was
veertig dagen over de aarde en de wateren wiesen en hieven
de ark op, zodat zij oprees boven de aarde. |
17 En de vloed was veertig dagen over
het land en de wateren wiesen en hieven de ark op, zodat
zij oprees boven het land. |
| 18 Toen de wateren zeer toenamen
en sterk wiesen boven de aarde, dreef de ark op de wateren. |
18 Toen de wateren zeer toenamen en sterk wiesen
boven het land, dreef de ark op de wateren. |
19 En de wateren namen geweldig
sterk toe over de aarde, en alle hoge bergen onder de ganse
hemel werden overdekt.
|
19 En de wateren namen geweldig sterk toe over
het land, en alle hoge bergen onder de ganse hemel werden
overdekt. |
| 21 En al wat leeft, dat zich
op de aarde roert, het gevogelte, het vee en het wild gedierte
en alle wemelend gedierte, dat op de aarde wemelt, benevens
alle mensen, kwamen om. |
21 . En al wat leeft, dat zich op het land
roert, het gevogelte, het vee en het wild gedierte en alle wemelend
gedierte, dat op het land wemelt, benevens alle mensen,
kwamen om. |
| 23 Zo verdelgde Hij alles wat
bestond, wat op de aardbodem was, mensen zowel als vee en kruipend
gedierte en het gevogelte des hemels, zodat zij verdelgd werden
van de aarde; Noach alleen bleef over en wat met hem in
de ark was. |
23 Zo verdelgde Hij alles wat bestond, wat op de
aardbodem was, mensen zowel als vee en kruipend gedierte en het
gevogelte des hemels, zodat zij verdelgd werden van het land;
Noach alleen bleef over en wat met hem in de ark was. |
| 24 En de wateren hadden de overhand
over de aarde, honderd vijftig dagen lang. |
24 En de wateren hadden de overhand over het
land, honderd vijftig dagen lang. |
Hoofstuk 8
1 Toen gedacht God Noach en al het wild gedierte en al het vee,
dat met hem in de ark was, en God deed een wind over de aarde
strijken, zodat de wateren daalden. |
Hoofstuk 8
1 Toen gedacht God Noach en al het wild gedierte en al het vee,
dat met hem in de ark was, en God deed een wind over het land
strijken, zodat de wateren daalden. |
| 3 en de wateren vloeiden gestadig
van de aarde weg. Aldus namen de wateren na verloop van
honderd vijftig dagen af. |
3 en de wateren vloeiden gestadig van het land
weg. Aldus namen de wateren na verloop van honderd vijftig dagen
af. |
|
13 In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste [maand],
op de eerste der maand, waren de wateren opgedroogd van de
aarde; daarop verwijderde Noach het luik van de ark, en
hij zag uit, en zie, de aardbodem droogde op.
|
13 In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste [maand],
op de eerste der maand, waren de wateren opgedroogd van het
land; daarop verwijderde Noach het luik van de ark, en hij
zag uit, en zie, de aardbodem droogde op.
|
| 14 In de tweede maand, op de
zevenentwintigste dag der maand, was de aarde droog. |
14 In de tweede maand, op de zevenentwintigste
dag der maand, was het land droog. |
|