Deze lijst van Veel Gestelde Vragen wordt eventueel
nog aangevuld met nieuwe vragen en antwoorden.
FAQ over de reikwijdte van "de zondvloed"
Vraag 1:
Kan Gen.6:9 ("dit zijn de toledot van Noach") niet slaan op
de navolgende hoofdstukken? Waarom moet "dit zijn de toledot van
Sem, Cham en Jafeth" (Gen.10:1) duiden op het voorgaande?
Antwoord:
De uitdrukking "dit zijn de toledot van..." is, zoals uit
de eerste vermelding blijkt (Gen.2:4) een afsluiting van het
document, geen introduktie. Noach is ooggetuige geweest van hetgeen
verhaald is tussen Ge.5:1 en 6:9. Zo zijn Sem, Cham en Jafeth ooggetuigen
geweest van hetgeen vermeld wordt tussen Gen.6:9 en 10:1. Dat de hoofdstukken
6-9 bovendien de literaire kenmerken hebben van verschillende auteurs,
bevestigt deze lezing.
Vraag 2:
Kwam de ark niet bovenop de Ararat te liggen?
Antwoord:
Ararat is geen berg maar een gebied van bergen. "En de ark
rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der maand, op
de bergEN van Ararat" (Gen.8:4). Op welke hoogte de ark vastliep
wordt niet vermeld. Het gebergte van Ararat vormt de Noordwestelijke
grens van de valei van Mesopotamië.
Vraag 3:
Zijn de aardlagen ontstaan gedurende de zondvloed?
Antwoord:
Gaat men er van uit, dat de aarde 6000 jaar oud is (klassiek creationisme),
dan moeten de aardlagen wel (hoofdzakelijk) ontstaan zijn in
de dagen van Noach en de vloed dus ook wereldwijd zijn geweest.
Het boek Genesis leert echter noch het één, noch het ander.
Adam en Eva leefden inderdaad pakweg 6000 jaar geleden, maar dat zegt
niets over de ouderdom van de aarde en de levende natuur (klik
hier). Dat de vloed wereldomspannend zou zijn geweest, volgt evenmin
noodzakelijk uit het Bijbels relaas (klik
hier).
Vraag 4:
Was in de dagen van Noach de mensheid al niet verspreid over de hele
aarde?
Antwoord:
Enerzijds: er zijn geen Bijbelse gegevens die dit direct tegenspreken
danwel ondersteunen. Anderzijds: tot Gen.12 beperken de geografische
gegevens zich tot het gebied van (grofweg) Mesopotamië. Pas sinds
de geschiedenis van Abraham wordt de horizon breder, maar ook dan blijft
het gezichtsveld beperkt tot het Midden-Oosten.
Vraag 5:
Waar kwam het water van de watervloed vandaan?
Antwoord:
"... op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open
en werden de sluizen des hemels geopend" (Gen.7:11). Deze
uitdrukkingen doen denken aan een enorme tsunami (vanuit de Perzische
Golf?) in combinatie met ongekende slagregens.
Vraag 6:
De vloed bedekte "alle hoge bergen onder de ganse hemel"
(Gen.7:19). Maar het gebied van Mesopotamië kent toch geen hooggebergte?
Antwoord:
De mededeling in Gen.7:19 is die van een ooggetuige. Zo ver als het
oog reikte, alles was overdekt met water. Dat de bergen (heuvels) van
Mesopotamië relatief laag zijn in vergelijking met het gebergte
van omliggende regio's, is waar, maar dat maakt het gebruik van de uitdrukking
"hoge bergen" nog niet onlogisch. Hoge bergen zijn gewoon
bergen die hoog zijn in vergelijking de overige bergen in het gebied.
Overigens weten we niet óf en in welke mate het landschap en
de hoogte van het gebied is gewijzigd sinds de zondvloed.
Vraag 7:
Waarom moest Noach dieren meenemen in de ark, als deze elders op
de wereld ook konden overleven?
Antwoord:
Van alle diersoorten die in "het land" verbleven, werd minimaal
één paar een veilig onderkomen geboden in de ark. Dit
om ná de vloed, de dieren-populatie in "het land" weer
op peil te brengen.