|
laatste wijziging: 31 mei 2006 |
|
|
Samenvatting van de eerste studie, gehouden op 13 mei 2006 over het thema 'wat is verzoening?' Hier deel II kafar - beschutting (I) niet verzoenen
maar beschutten Wanneer we in het OT het woord 'verzoenen' in onze Bijbelvertalingen tegenkomen, dan is dit de weergave van het Hebreeuwse woord 'kafar'. Probleem is dat dit woord niets met ons woord 'verzoenen' te maken heeft. Want verzoenen betekent: partijen tot vrede brengen. We komen verzoenen in de brieven van Paulus tegen - een totaal ander woord dan 'kafar'. In ieder handboek kan men terugvinden dat het Hebreeuwse 'kafar' 'bedekken' (of beschutten) betekent. Wat een misser dat de vertalers daar niets mee doen en 'kafar' stelselmatig verwarren met een totaal ander begrip. De eerste keer dat het
woord ´kafar´ in de Schrift voorkomt is het meteen raak. Het
is in Genesis 6:14 (SV): Het woord 'kafar'
komt in 99% van de gevallen voor i.v.m. de offerdienst. In Leviticus 17:11
lezen we: Een altaar is een verhoging,
gemaakt van stenen. Niet van gehouwen stenen maar van natuurstenen . Veelzeggend
dat de verhoging geen mensenwerk zou zijn. Het altaar verhoogt het geslachtte offerdier. In de eerste plaats omdat het altaar zelf al een verhoging is en in de tweede plaats omdat het offerdier op het altaar in rook omhoog gaat. Uiteraard verwijst de slachting naar wat plaatsvond op Golgotha. Naar Hem die Zich vernederde "tot de dood, ja dood van het kruis". Het offer op het altaar daarentegen (ná de slachting) verwijst naar de verrijzenis en verhoging op de dag dat Jezus het graf definitief leeg achterliet. De beschutting (kafar) is niet gelegen in de slachting van het offerdier maar in het offer daarna. Jezus stierf om te triomferen over de dood. In die triomf vindt de mens beschutting. De dood is overwonnen en onvergankelijk leven aan het licht gebracht! Het idee in de Schrift is niet dat een offerdier stierf in plaats van de offeraar. De slachting van het dier was geen vergelding. Want ook als er helemaal geen zonde of schuld in het geding was (b.v. bij een brandoffer), dan moest niettemin een dier worden geslacht. Het dier stierf niet in plaats van de offeraar, maar voor de offeraar. Zo stierf ook Christus niet plaatsvervangend. Logisch, want een mens moet, ondanks Christus' dood, alsnog sterven. Christus stierf voor ons, om het Leven te geven. In het Hebreeuws
is het woord voor 'zondoffer' hetzelfde als het woord voor 'zonde'. Merkwaardig!
De zonde wordt weggedaan door... de zonde! De kruisiging van Christus
is de grootste zonde die de mensheid ooit begaan heeft. Maar juist zo
wordt zonde en dood teniet gedaan. Door de dood (negatief) wordt de zonde
(negatief) beëindigd. Op het kruis zien we Goddelijke wiskunde in
actie: negatief maal negatief wordt positief! In Hebreeën
9 lezen we: Volgens de Hebreeuwse
Bijbel doet de hogepriester 'kafar' voor het volk. In het Griekse NT heet
dit 'hilasmos'. 'Hilasmos' is een Grieks woord maar in het NT heeft het
een voluit Hebreeuwse lading. Men zou het, evenals 'kafar', moeten weergeven
met 'beschutten' (of eventueel 'bedekken'). In het Hebreeuws
heet het deksel van de ark van het verbond (het zgn. verzoendeksel): 'kaporeth'.
In het Griekse NT heet het: 'hilasterion'. Ook hier zien we dat 'hilasmos'
het Hebreeuwse woord 'kafar' moet dekken. Opmerkelijk dat het Griekse
woord etymologisch verwant zou zijn aan 'hilaros' (vergl. ons woord hilarisch),
hetgeen 'vreugde' betekent. Als we ons realiseren dat het bloed op het
deksel spreekt van Hem die na Zijn slachting is ingegaan in het binnenst
heiligdom, is die associatie niet zo vreemd... Nadat een dier geslacht
was, werd het bloed van het dier... "... Hij is
een beschutting (hilasmos) voor onze zonden en niet allen voor de onze
maar ook voor de gehele wereld". |
|