|
|
WONDERLIJK IN ONZE OGEN
Dit vers wordt maar liefst 5x in het
NT geciteerd. Het blijkt om een overduidelijke Messiaanse profetie te
gaan. "De steen" is, zoals zo vaak in de Bijbel, niemand minder
dan Jezus Christus zelf. In het Hebreeuws is steen 'eben', wat een samenvoeging
is van 'vader' (ab) en 'zoon' (ben). De steen verwijst daarmee naar de
Zoon van de Vader!
Maar nu het eigenaardige! Als de bouwlieden (lees: Israël) de Steen verwerpen, hoe is het dan mogelijk dat deze Steen niettemin een Hoeksteen wordt? Een Hoeksteen van wat dan wel? Dat de Messias die vanuit Jeruzalem heerst, fungeert als Hoeksteen, dát laat zich verstaan. Maar hoe kan dit nu het geval zijn met een verworpen Messias? Dat is de vraag in Psalm 118. Men verwondert zich daarover. Oftewel: het is voor hen verborgen. Maar wat verborgen is in Psalm 118, dat wordt geopenbaard in het 'Nieuwe Testament'. In de tijd dat de Steen door de bouwlieden afgekeurd is, zal er een bouwwerk worden opgetrokken waarvan de weggeworpen Steen juist de Hoeksteen zal blijken te zijn. Petrus schrijft daarover in zijn brief (1Petrus 2:7). Maar ook Paulus wanneer hij over de Gemeente opmerkt dat zij is...
De waarheid aangaande de Gemeente is in het 'Oude Testament' nimmer bekendgemaakt (Efeze 3:5). Niettemin, blijkt de Gemeente er wel degelijk in verborgen te zijn. O.a. dus in Psalm 118:22 en 23.
|